Tag: Kraków

Een Leonardo, twee tantes, drie Rembrandts

lady-with-an-ermine-744x1024Als je van adel bent, zeker in Polen, kun je hele oude tantes hebben. Neem nu Jan Lubomirski-Lanckoroński, sinds vorige week voorzitter van de Stichting der Prinsen Czartoryski. Een van zijn tantes, Izabela Czartoryska née Fleming, leefde tweehonderd jaar geleden (1746-1835). Zij was een vooruitstrevende mecenas en kunstverzamelaar en bracht een legendarische collectie bijeen, met bijvoorbeeld het Landschap met de barmhartige Samaritaan van Rembrandt. Bijzonder, in die tijd, als vrouw. Haar nazaten breidden de collectie verder uit met topstukken als de Dame met de hermelijn van Leonardo da Vinci en het Portret van een jonge man van Rafaēl. Zelf stichtte Izabella in haar buitenverblijf in het Poolse Puławy een van de eerste openbare musea van Europa. (meer…)

Advertenties

Pools leren van Józef Chrobak

chrobak_pap_6251-165x111Het is echt waar, er was eens een man die mij Pools leerde spreken. Zijn naam was Józef Chrobak. Er zijn weinig mannen met baarden wiens gezicht ik kan lezen, maar met zijn gezicht kon het. Dat kwam door twee diepe lachrimpels die zelfs zijn baard niet konden bedekken.

Het was 1986, Kraków. Józef Chrobak sprak alleen Pools en wist alles over Grupa Krakowska, mijn afstudeeronderwerp. Ik sprak geen woord Pools maar wilde alles van hem weten. En daarom ontmoetten we elkaar iedere ochtend in Galeria Krzysztofory, waar Józef Chrobak de ene sigaret na de andere rookte en het ene na het andere glas koffie dronk.  (meer…)

Bericht voor Jerzy Panek

1

Het is nu het vijfde jaar dat ik af en toe een schrijfweek doorbreng in mijn Krakause studio. Die studio is helemaal niet van mij, maar van genereuze vrienden die de ruimte beschikbaar stellen aan kunstenaars of schrijvers die er willen werken. Al die jaren ligt er een brief in de vensterbank van een Amerikaanse afzender. URGENT. DATED REPLY REQUESTED staat er in boze letters op de enveloppe gestempeld, maar de geadresseerde is al meer dan tien jaar dood. (meer…)

Tijd

kolpik_1

De merel in de tuinen is wakker. Het is tien voor vier, zaterdagochtend. Ik luister naar het zingen, slaap weer in. Om zes uur worden de klokken van een nabijgelegen klooster geluid. Even later hoor ik de klok van de beroemde Wawel, die ieder kwartier slaat. Eén slag: kwart over zes. Twee slagen: half zeven. Drie: kwart voor zeven. Dan vier slagen, gevolgd door nog eens zeven, want zo laat is het tenslotte. Inmiddels is een paar kilometer verderop de klok van de Mariakerk ingevallen. De stadstrompetter blaast vanaf diezelfde kerk de hejnal, vier maal, voor iedere windrichting één. Soms trompettert hij me wakker in het holst van de nacht: geluk. (meer…)

De waarzegster

Hand

Voor ik het weet, zit ze naast me en pakt ze mijn hand.
‘Mooie toekomst’, zegt ze. ‘Hand lezen? Helemaal gratis. Mooie vrouw, mooie toekomst.’ Met haar wijsvinger volgt ze de lijnen in mijn handpalm.
‘Mooie man’, zegt ze. ‘Mooie man, donker, donkere ogen. Niet zo groot hè, voor jou. Eerste man. Houdt zoveel van jou. Tien złoty. Hier, tien złoty.’ Ze wijst nu op haar eigen hand. (meer…)

Lesław en Wacław

1518-burda

Vorige week kwam ik ze tegen, in mijn geliefde Krakause eetgelegenheid waarvan ik de naam niet ga weggeven omdat er nog steeds geen toeristen komen. Ze kwamen bij me aan tafel zitten, Lesław en Wacław Janicki. Ze moeten inmiddels al zo’n 70 jaar zijn, een eeneiige tweeling, niet van elkaar te onderscheiden met hun witte haren, hun stevige neuzen, hun dunne snorren. (meer…)

Wat verzonnen is, bestaat al

Schermafbeelding 2016-06-25 om 11.11.10

Op 5 maart 2010 leverde ik de eerste versie van mijn debuutroman in, die toen nog De vinger van God heette. Ik was in Krakau, net als K. die zojuist vanuit hetzelfde internetcafé zijn nieuwste vertaling naar zijn uitgever had gemaild. Om het te vieren gingen we champagne drinken bij Alchemia. Daar schonken ze geen champagne, we namen koffie.

‘Nu ben je een schrijver’, zei K. ‘Misschien ben je een afgewezen schrijver, een nooit gepubliceerde schrijver, een mislukte schrijver, maar je bent een schrijver.’ We hieven onze denkbeeldige champagnes. Even later liepen we op straat, K. naar zijn huis om aan een nieuwe vertaling te beginnen, ik naar het mijne om een lekker potje te janken. Op de Miodowastraat kwamen we haar tegen. Ze was klein, had nauwelijks haar, en ging gebukt onder het gewicht van haar boodschappentassen. Toen ze ons zag, zette ze haar tassen op het trottoir. (meer…)