Het lied van ooievaar en dromedaris


Eliza May Drayden is de schrijfster van een uitzonderlijke, tijdens haar leven verguisde roman en van een geheimzinnig aantekenboekje. Bovendien is ze al dood als Het lied van ooievaar en dromedaris begint – de roman die aan haar raadselachtige leven gewijd is. We maken kennis met Eliza May via de vrouw die haar aflegt, Susan Knowles, en dat gebeurt op 12 december 1847. Maar Eliza May is geen gewone dode. Haar dode ogen laten zich niet sluiten, bij het wassen rijzen de blonde haartjes op haar onderarm ‘als de nekharen van een wolf omhoog’, en bij de begrafenis hoort Susan haar bonken in de kist.

Dat belooft wat voor de toekomst, en Eliza May Drayden is dan ook het personage dat alle volgende personages in dit prachtige boek verbindt. Want Het lied van ooievaar en dromedaris eindigt precies 160 jaar later, op 12 december 2007, en in die 160 jaar verschijnt Eliza May Drayden in de elf levens die Anjet Daanje in opeenvolgende hoofdstukken beschrijft. Ieder hoofdstuk begint met fragmenten uit biografieën over Eliza May en met fragmenten van haar gedichten, en zo, uit het werk en het leven van vele anderen, kun je je eigen beeld scheppen van een schrijfster die steeds meer deel uit begint te maken van je eigen leven, meer dan 600 pagina’s lang.

We leren Grace Jennings-Appleton kennen, die het geheimzinnige aantekenboekje van Eliza May de wereld instuurt; Emery Bowman, die alleen al vanwege zijn naam verdoemd is en sterft als hij een verdwaalde hond zoekt in de crypte waar Eliza May zou zijn begraven; Clyde Middleton, die in de veronderstelling leeft dat hij met de uit haar eigen leven gevluchte Eliza May getrouwd is; tot aan opnieuw een Emery, wiens leven in onze eigen eeuw door het geheimzinnige aantekenboekje van Eliza May wordt geruïneerd. En zelfs het leven van de Groningse klokkenmaker Ties Auwerda is met dat van Eliza May verbonden. Zij immers dichtte de sterrenhemel als ‘een glorieuze onmetelijkheid / die in zijn bedding van licht onbelemmerd voortstroomt / in oneindig geluk, tot in oneindige tijd.’ Het is Ties die vanachter een uurwerk op een kerktoren naar het heelal tuurt, hij ‘kijkt tussen de cijfers en de wijzers, die de tijd in spiegelbeeld aangeven, naar de zich plechtig over de donkere velden en de glinsterende zee buigende sterrenhemel. Altijd als hij daar staat, zo alleen boven op de toren in het weidse land, stelt hij zich voor dat het heelal terugkijkt, alsof zij tweeën elkaar op gelijke voet ontmoeten, en dat hij voor de wereld daarbuiten onderdeel lijkt te zijn van de klok, een rondsel, een as, een gang misschien, en dan voelt hij zich een met de tijd.’

Maar in deze roman vinden we de eenheid van de tijd niet alleen in de grootsheid van het heelal. Anjet Daanje schept die eenheid vooral door een magische wereld te beschrijven waarin in bijna ieder leven bramen groeien, de vijfde traptrede kraakt, zilveren belletjes rinkelen, hinderlijke vliegen op ons gezicht gaan zitten, telefoons onverklaarbaar kunnen gaan rinkelen, personages een dubbelleven kunnen leiden, zussen hun eigen taal bedenken, en waar woorden als ‘tweepersoonshangsnor’ en ‘zaterdagavondmannen’ in voorkomen. Een wereld waarin zussen (er zijn heel veel zussen in dit boek) die met elkaars mannen hadden moeten trouwen bij elkaar slapen en voor elkaar zorgen tot de dood hen scheidt. Een wereld ook waarin het vele vrouwen lukt om aan hun leven te ontsnappen, al is dat soms pas bij hun dood, wanneer ze zich in een zelfgekozen graf laten begraven.

En als ik Het lied van ooievaar en dromedaris na het lezen meteen nog een keer begin te lezen, worden die vliegen, traptreden en rinkelende belletjes onderdeel van mijn eigen leven, en realiseer ik me dat er in de roman een roman voorkomt met een hoofdpersoon Odessa, als in mijn eigen De kop van Oskar Wronski. Terwijl ik het boek lees, bevind ik me tegelijkertijd in de film La Double Vie de Véronique van Krzysztof Kieślowski met al die spiegels en dubbelgangersmotieven en doden die ons helpen te leven, maar ook in de romans van Wiesław Myśliwski waarin onzichtbare kennis van generatie op generatie wordt overgedragen. Het is immers zoals Hannah, het kindermeisje van Eliza May, ergens zegt: ‘De hemel is geen ver, vreemd paradijs zoals in de bijbel staat geschreven, de doden blijven gewoon hier, ze zijn overal om ons heen, je ziet ze alleen niet.’

Anjet Daanje liet zich voor haar roman inspireren door het leven en werk van de negentiende-eeuwse schrijfster Emily Brontë, en de gedichten in het boek zijn gedichten van Brontë door Anjet Daanje vertaald. Op haar website vertelt ze over haar research voor haar vorige roman, De herinnerde soldaat. Ik zie uit naar filmpjes over haar werk aan Het lied van ooievaar en dromedaris. Want dat je zo’n wonderlijke en onneerlegbare roman kunt schrijven, in zo’n bijna nuchtere stijl die in ieder hoofdstuk precies past bij de tijd die wordt beschreven, over zoveel tijden, met zoveel personages, en toch alle draden stevig in handen kunt houden, dat is een magische prestatie.

Anjet Daanje, Het lied van ooievaar en dromedaris, Uitgeverij Passage, 2022