Iedereen slaapt, behalve de koe

Wat een glorieuze dag vandaag, op naar het Kröller Müller Museum om de tentoonstelling Mooi oud. Drie eeuwen tekeningen uit de Kröller Müllercollectie te bekijken. Dat was een fijn weerzien met oude meesters, al werden vele tekeningen voor het eerst getoond. Naast al het moois ook deze tekening van een lome zomermiddag waarop iedereen slaapt, behalve de koe, het was een beetje zoals ik me voelde vandaag, de zon die opeens een hele dag over je heen plenst na die lange grijze winter.

Snel door dus, naar dat hoekje met dat ene schilderij dat ik in het Kröller Müller altijd speciaal ga bekijken, Structuur (Composition uniste), uit 1932, van Władysław Strzemiński.

Maar de Strzemiński is van de wand gehaald en ineens was ik omgeven door opgeprikte dennenaalden, plantjes op sterk water, foto’s van platgereden meikevers. Ik heb er wel eens eerder over geschreven: dat schoonheid je bij de lurven grijpt als je er niet op bedacht bent. Weg oude tekeningen, weg Strzemiński, ik stond plots middenin een rariteitenkabinet: de tentoonstelling Accumulation of things van Anne Geene (Breda, 1983), prachtig opgesteld in en rondom de oorspronkelijke entree van het Kröller Müller Museum.

Uitgangspunt voor de tentoonstelling is een brief die Anne Geene vond in het archief van het museum: een brief waarin Helene Kröller-Müller aan de minister schrijft hoe haar collectie beheerd zou moeten worden. De verzameling is compleet, schrijft ze, de verzameling is af. ‘Men mag niets uitschakelen, noch toevoegen.’

‘Wat is een verzameling eigenlijk?’, vroeg Anne Geene zich af. ‘Is een verzameling ooit compleet?’ Zelf verzamelt en ordent ze al jaren zo’n beetje alles wat ze vindt in de natuur. En dat deed ze voor deze tentoonstelling in het gebied rondom het Kröller-Müller Museum: grassprietjes, dennennaalden, de eikeltjesverzameling van een eekhoorn. Ze maakte een compositie van luchten boven de Veluwe en verbond die aan luchten uit de collectie van het museum. Ze verzamelde steentjes, stukjes wandelpad, water, zand, en gaten in blaadjes. Dat alles herschikte ze met ongelofelijke precisie en met liefde voor ieder detail tot nieuwe verzamelingen: een nieuw soort schoonheid waar ik ademloos naar keek.

Ik kan niet omschrijven waarom juist deze tentoonstelling me vandaag zo raakte. Het heeft iets te maken met mijn aanstaande afscheid van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. De drie jaren dat ik daar directeur ben geweest zijn niet af, en toch zijn ze compleet, een verzameling bijzondere ervaringen waar ik zelf nog orde in moet scheppen, zoals Anne Geene dat doet met haar blaadjes, zaden, en wolkenluchten.

En ik zag deze tentoonstelling in een verre toekomst in het nieuwe museum dat in Westerbork moet komen:

Stel je voor dat daar een ruimte zou zijn voor hedendaagse kunst, waar kunstenaars mogen reflecteren op de historische plek met die onvoorstelbare, tragische, meerstemmige geschiedenis. Anne Geene zou in dat schuldige landschap heide kunnen verzamelen en zeldzame mosjes, zand en stof, splinters van barak 56 en lupinezaadjes, ze zou in het depot kunnen zoeken naar glazen flesjes, scherven en knopen, orde kunnen scheppen in een verhaal waarin iedere orde onmogelijk is, schoonheid kunnen maken van iets dat nooit mooi kan zijn, een verhaal kunnen vertellen dat nog niet bestaat.

Het Studieblad met slapende jongen, slapende man, slapende hond en een koe en een schaap is van de hand van Wouter Johannes van Troostwijk (1782-1810)

Anne Geene (Breda 1983), Aangevreten blaadjes, collage, 2020