Troost in mooie zinnen: over Familiestukken van Alice Munro

Vivi en Alister zijn op weg naar hun eigen bruiloft. Ze hebben geluncht, lopen terug naar de auto, hij opent het portier voor haar, gaat gemakkelijk zitten, draait het contactsleuteltje om en zet de motor dan weer uit.

Als lezer van Alice Munro weet je meteen: nu gaat er iets verschrikkelijks gebeuren. Maar de grande dame van het korte verhaal laat je nog even wachten, twee hele alinea’s lang. Je moet nog een bordje lezen over schaatsen slijpen, je moet nog naar een oud houten huis kijken met een trap waar twee planken in een X-vorm overheen zijn gespijkerd, er moet nog een vrachtwagen wegrijden en een bestelwagen inparkeren, maar er is niet genoeg ruimte en de chauffeur tikt op het raampje van Alisters auto.

Terwijl we het bordje over het schaatsen slijpen lazen, terwijl we keken naar het huis met de dichtgetimmerde trap, terwijl we werden afgeleid door al die wegrijdende en inparkerende auto’s, heeft Alister het verschrikkelijke tegen Vivi gezegd. Haar droom ligt aan stukken, hij brengt haar terug naar het station. Munro biedt zelden troost, of het moet de troost zijn van beeldschone zinnen zoals deze: ‘Bij iedere bocht lijkt er weer een stukje afgeschoren te worden van wat er van mijn leven over is’.

Het is alweer een tijd geleden dat Alice Munro, die in 2013 de Nobelprijs kreeg als ‘meester van het hedendaagse korte verhaal’ en volgend jaar 90 wordt, aankondigde dat ze zou stoppen met schrijven. Een stoere en misschien ook wel wijze beslissing, maar ik voel me er een beetje door in de steek gelaten: nooit meer een nieuwe Munro. Tegelijkertijd is het een mooie gedachte dat je nu haar hele oeuvre kunt lezen en herlezen. Zoals de bundel Familiestukken, een keuze van Marja Pruis en Greta le Blansch, alweer bijna drie jaar geleden verschenen, waarin ‘Amundsen’, het verhaal over Vivi en Alister, is opgenomen.

Het is een typische Munro vanwege de taal waarin zo weinig gezegd wordt maar waar juist in de stilte tussen de regels hele werelden worden geopend. Het is een typische Munro vanwege dat merkwaardige mengsel van angst en kracht van de vrouwelijke hoofdpersoon. En het is een typische Munro omdat ze haar personages in een paar duizend woorden een leven geeft met een scheur erin. Die scheur kan een tante zijn die je baby van je afpakt, een minnaar die tijdens een vakantie met je schoonouders ineens in de buurt blijkt te zijn, een message in a bottle die je stuurt aan die vage man van je dromen. Munro’s personages zijn vrouwen die een leven leiden in een benauwende, soms zelfs bedreigende wereld, een leven waarin weinig lijkt te gebeuren, maar toch durven te doen ‘wat Anna Karenina had gedaan en wat Madame Bovary had willen doen’. In vrijwel alle verhalen in Familiestukken komt de hoofdpersoon voor een keuze te staan, krijgt een inzicht, en stapt dan bijna argeloos in die scheur, dat alternatieve leven.

Erin stappen, en er weer uit stappen.

Nog één keer ontmoet Vivi haar Alister, in miljoenenstad Toronto, ‘bij het oversteken van een drukke straat waar je niet langzamer kunt gaan lopen’. Maken ze zich uit de menigte los, of vervolgen ze hun weg? Ook hier moeten we het doen met één zin, zo’n prachtige Munro-zin, waarin al die jaren van het niet-met-elkaar-getrouwd zijn besloten liggen. Lees het zelf.

 

Alice Munro, Familiestukken, haar mooiste verhalen, geselecteerd door Marja Pruis en Greta le Blansch, uit het Engels vertaald door Pleuke Boyce en Kathleen Rutten, De Geus, 2017