Vervaagde grenzen

Op een donkere herfstavond stond hij voor de deur van mijn Warschause appartementje. Een boergondiër met het gebeeldhouwde gelaat van een Duitse componist. Zulke mooie mannen bestonden destijds in Polen niet. Iedereen kon in die jaren zomaar aanbellen – alleen de uitverkorenen beschikten over een telefoon. Hij stelde zich voor met een naam die ik eerst niet goed verstond, maar die ik later terugvond op zijn kaartje: Hans Glaubitz. Nederlands diplomaat, in Polen om de voorbereidingen te treffen voor de opening van het kantoor van de Delegatie van de Europese Commissie.

Het was het begin van een verbondenheid waar het woord vriendschap te groot voor is. Maar wat we delen, is uniek: beiden lijden we aan de Oost Europaziekte, die vreemde kwaal die gekenmerkt wordt door een haat-liefde verhouding met Oost Europa. Een onverklaarbare nostalgie naar de jaren dat we er woonden en deel uit mochten maken van een maatschappij die we nooit helemaal konden doorgronden. Boekenkasten vol Poolse dichters, laden vol Russische films, een hoofd vol van een taal die je nooit echt goed leert spreken omdat je je tong erover breekt: ieder die aan de Oost Europaziekte lijdt, heeft last van zijn eigen symptomen.

Hans Glaubitz benoemt de Oost Europaziekte nergens, maar ik weet zeker dat deze aandoening ten grondslag ligt aan zijn prachtige boek Vervaagde grenzen. Een blik achter het gordijn van een voorgoed verdwenen Europa. Aan de hand van zijn persoonlijke biografie beschrijft Glaubitz sprankelend en vaak ook humoristisch de diepgaande omwenteling die zich in de laatste decennia van de vorige eeuw achter het IJzeren Gordijn voltrok.

Glaubitz zit nog op het gymnasium als zijn fascinatie voor Oost Europa wordt aangestoken. Hij leest Der Zug war Pünktlich van Heinrich Böll, over het leven van een jonge Duitse soldaat die per trein naar het Oostfront reist. Steden met exotisch klinkende namen spelen een rol. Przemyśl, Lemberg, hoe zou het daar zijn? Glaubitz trekt de stoute schoenen aan en maakt zijn eerste reis naar de landen achter dat ‘mysterieuze, vreeswekkende’ IJzeren Gordijn. Het is dan 1971.

Zijn carrière als diplomaat maakt het hem mogelijk om zijn ontdekkingsreis voort te zetten, een reis die uiteindelijk bijna vijftig jaar zou duren. Cuba, Suriname, Tsjechoslowakije, Bulgarije, Roemenië – en altijd weer Polen. Landen in transitie, gezien door de ogen van een nieuwsgierige diplomaat die zo gedreven is dat hij iedere keer weer weet door te dringen tot alle lagen van de bevolking. Juist door zich te verdiepen in het leven van zijn hospita Pani (mevrouw) Zofia, juist door zich door een Oekraïense vorst, le Prince de Kiev, uit te laten nodigen voor een monarchistisch congres in Lviv, juist door Roemeense kindertehuizen te bezoeken en er hulp te organiseren, laat hij ons dat andere Europa zien. Dat zoekende, verwoeste, verscheurde Europa, dat tegelijkertijd het Europa is van de grote literatuur, de wodka-overgoten verbroederingsrituelen, en de meest onwaarschijnlijke persoonlijke verhalen.

Glaubitz moet over een onuitputtelijk persoonlijk archief beschikken – ik stel me dozen voor, volgepropt met kassabonnetjes, notitieboekjes, oude telefoonboeken, rapporten van waarzeggers, faxen met crypto’s. Daarmee geeft hij ons bijzondere kijkjes in de keuken van het diplomatieke handwerk. Hij legt uit hoe het berichtenverkeer met Buitenlandse Zaken werkte, laat ons de kladjes zien waarop de organisatie van het Roemeense bancaire systeem is uitgewerkt, en neemt ons mee naar zijn dossier in de Stasi-archieven – stukken waaruit blijkt dat hij in Cuba van hekserij werd verdacht. Het meest indrukwekkende stuk uit zijn persoonlijk dossier dat hij met ons deelt is een vertrouwelijke memo aan Buitenlandse Zaken van 6 mei 1996: zijn aangrijpende ooggetuigenverslag van zijn bezoek aan de killing fields bij Srebrenica en Bratunac.

Het was herfst 1990, die donkere avond waarop Hans Glaubitz bij me aanbelde, het was een jaar na de val van de Muur. ‘Mijn hemel, wat waren we optimistisch aan het einde van het uitputtende jaar 1989, en wat wisten we nog weinig’, schrijft hij aan het einde van zijn boek. ‘Een kwestie van tijd zou het zijn voordat de voormalige socialistische dictaturen in Oost- en Midden Europa zich zouden kunnen laven aan de zegeningen van de parlementaire democratie.’ Maar de werkelijkheid bleek al snel heel wat weerbarstiger. Is het mogelijk een positieve tussenbalans op te maken? Misschien. Hoe dan ook kiest Glaubitz, de boergondiër, voor het halfvolle glas. En hij heeft ons een bijzonder boek geschonken waarmee hij zijn liefde voor Oost Europa aan onze voeten heeft gelegd.

Hans Glaubitz, Vervaagde grenzen. Een blik achter het gordijn van een voorgoed verdwenen Europa, Prometheus, 2019

PS: dat van die boergondiër met het gebeeldhouwde gelaat van een Duitse componist is echt waar, maar ik had het nooit zelf kunnen bedenken. Het zijn de woorden van Frank Westerman, door Hans Glaubitz zelf op p. 331 en 333 geciteerd.