Ode aan een droevige hond


Ineens dook hij op tijdens een wandeling in de Ardennen: een droevige hond. Ik had net een pittige terrër, een grimmige herdershond en een valse rotweiler achter de rug en ik schrok nogal toen hij op danspoten naar me toe kwam wapperen en mijn hand likte. Mistige ogen in een grijs gezicht, oren die slordig aan zijn kop zaten. Hij duwde met zijn neus in mijn knieholtes en ik begon weer te lopen, de heuvel af, het dorp uit.

Hij volgde me. Hij zwalkte over de weg. De enige auto die we tegenkwamen kon hem maar net ontwijken, de chauffeur tikte met zijn vinger op zijn voorhoofd. Tuinen, greppels, weilandjes, de droevige hond liep achter me aan of rende voor me uit. Soms verloor hij me uit het oog en kwam dan weer op me afstormen, paniek op zijn gezicht.

Pas na een kilometer of vijf stopte er een dame naast ons. Terwijl ze me overlaadde met dankbetuigingen pakte ze de droevige hond bij zijn halsband en zette hem in de achterbak van haar pick-up. Ze reden weg. De droevige hond hield zich wiebelend staande en bleef naar me kijken, zijn ogen vol tranen.