Ode aan De goede zoon van Rob van Essen


Net als ik woonde hij aan de Weesperzijde, studeerde kunstgeschiedenis, en was hij gereformeerd, hoewel hij in een strenger milieu opgroeide dan ik. Toch twijfelde ik toen zijn redacteur, die ook de mijne is, me zijn boek in handen duwde. ‘Moet je lezen. Een onwaarschijnlijk mooie dystopische roman.’

Een dystopische roman lezen? Ik, die niet van science fiction houdt?

Maar ik begon in De goede zoon van Rob van Essen en kon niet meer ophouden. Ik las de eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende dag, alle dagen waarop de goede zoon nadat hij zijn demente moeder heeft begraven op weg is om door een stelletje geheugencriminelen tot een ander mens herschapen te worden.

En er gebeurde iets merkwaardigs: ik werd deze in de toekomst geschreven roman ingezogen alsof ik een logische wereld betrad. Een wereld waarin schooltassen achter kinderen aan wandelen en gebeden wordt met de woorden die mijn grootvader gebruikte (Waar menig mens eet brood der smarte, hebt gij ons mild en wel gevoed). Een wereld waarin het basisinkomen is ingevoerd zodat iedereen teveel vrije tijd heeft en je nooit meer in je eentje urenlang door een museum kunt dwalen. Een wereld waarin je kletsende huurauto zich tot je minnaar ontpopt en waarin tegelijkertijd plaats is voor de lyrische herinnering aan de huid van een geliefde (‘over die zweem en die sproeten zat nog een laagje, dat was het bijzondere van die huid, het was oppervlakte met diepte, je keek ergens doorheen’).

Waar is het paradijs in die zeven dagen waarin Van Essen ons meeneemt in zijn sci-fi road novel? Is dat het heden of de toekomst? Of is het paradijs ergens in 2008 achtergebleven, het jaar waarin we die schedel van Damien Hirst, For the love of God, in het Rijksmuseum bezochten, dat jaar waarin ‘de kunst overleed’? Is daarna de afdaling in de hel begonnen?

‘Overal in de stad zag je de poster met de letterlijk schitterende schedel tegen een diepzwarte achtergrond, opgewekt grijnzend, met open mond en gave tanden, achteraf leek het ding nog het meest op een uit de toekomst teruggestuurde emoji die meer wist dan wij, veel meer, maar die er niet aan dacht om al die kennis met ons te delen.’ Om bij de schedel te kunnen komen, moest je in het Rijks eerst een soort parcours wandelen, opgepropt tussen al die andere bezoekers, waarmee je langs Het Joodse bruidje kwam, De staalmeesters, De brief, Het melkmeisje.

Een ontluisterende ervaring. ‘De topstukken uit de Gouden Eeuw bleken opeens aan de muren van een wachtkamer te hangen’ schrijft Van Essen. ‘Op het moment zelf had ik nog niet door dat dit effect blijvend zou zijn’: de schilderijen wisten zich niet meer van de schok te herstellen, het waren kitscherige reproducties aan de muren geworden. En dat kwam nooit meer goed. Schoonheid is een afspraak, die afspraak werd niet meer nagekomen, ook in andere musea werd de betovering verbroken, definitief verscheurd door een schedel bedekt met diamanten.

En dan zijn we nog maar bij de eerste en de tweede dag van De goede zoon.

Daarna onrolt zich een steeds krankzinniger wordend verhaal waarin gepensioneerde agenten moorden reconstrueren in een oude broodfabriek, waarin de tale Kanaäns kan bestaan naast ironische receptierobo’s, zelfrijders, en palio’s; waarin herinneringen verplaatst kunnen worden, en waarin nieuwsgierigheid naar de toekomst net zo groot is als heimwee naar het verleden.

Niet alleen schoonheid is een afspraak. Een roman is dat ook: een ongeschreven contract tussen schrijver en lezer. En hoewel Van Essen zijn roman in de toekomst heeft geschreven, en ik soms liever in het verleden leef dan in het heden, heeft hij me overtuigend meegenomen in zijn onwaarschijnlijke avontuur. Lezen, dit boek.