De Jacobsboeken, een leesavontuur

In dit veel te lange blog ga ik proberen u te verleiden tot het lezen van een veel te dik boek met veel te veel personages en een veel te lange ondertitel. De Jacobsboeken. Een grote reis over zeven grenzen, door vijf talen en drie grote religies, de kleine niet meegerekend. Verteld door de doden, en door de auteur aangevuld met behulp van conjunctuur, uit vele uiteenlopende boeken geput, alsmede geholpen door de imaginatie, die de grootste natuurlijke gave is van de mens. Voor de Wijzen pro Memorie, voor mijn Landgenoten ter Reflectie, voor de Leken tot Lering, en voor de Melancholici evenwel tot Vermaak. 

Bent u er nog? Let’s go.

Jacob Frank
Hij werd in 1726 geboren in de toenmalige Pools-Litouwse dubbelmonarchie: Jaakow ben Juda Lejbin, die alras zijn naam zou veranderen in Jacob Frank (Frenk, de vreemdeling). Plaats van handeling is Korolówka in de streek Podolië, waar het leven  van de Joden werd gekenmerkt door armoede, oorlogen en pogroms. Wie verlangde er niet naar de komst van de Verlosser? Die diende zich aan op 5 december 1755. Op die dag keerde Jacob Frank na vele omzwervingen terug naar zijn geboortestreek en hij wist het zeker: hij was de Messias. Al snel had hij duizenden volgelingen.

Omdat Jacob Frank de Talmoed verwierp, riepen de rabbijnen een banvloek over hem uit. Maar zijn volgelingen – die de contra-talmoedisten of de Frankisten genoemd werden – trokken zich daar niets van aan. Massaal gingen ze onder leiding van hun Verlosser over naar het Christelijke geloof. Ze lieten zich dopen, namen Christelijke voornamen aan en kozen de achternamen van aristocraten die als peetouders optraden: Lanckoroński, Radziwiłł, Dzieduszycki. Na hun doop trokken ze Poolse kleren aan, aten varkensvlees, en begonnen Pools in plaats van Jiddisch te spreken. In eerste instantie was de Poolse aristocratie gefascineerd door de zelfverklaarde Messias en zijn gelovigen. Bij de doop van Jacob Frank was zelfs de Poolse koning August III, bijgenaamd de Dikke van Polen, aanwezig.

Maar de figuur van Frank werd ook binnen de kerk al snel omstreden. Nadat de inquisitie hem van ketterij had beschuldigd – waarbij een aantal van zijn volgelingen op een afschuwelijke manier werd gedwongen om tegen hem te getuigen – werd hij dertien jaar opgesloten in een klooster in Częstochowa. Daarna kwam hij in Oostenrijk terecht, van waaruit hij ook werd verdreven. Uiteindelijk vestigde hij zich met zijn “hof” in Offenbach, waar hij in 1791 overleed.

Leesavontuur
Dat is het verhaal achter het leesavontuur dat ik net achter de rug heb: De Jacobsboeken van Olga Tokarczuk. De roman begint met de dromerige dood van oermoeder Jenta, die niet kan sterven omdat ze een amulet met een magische tekst heeft doorgeslikt. Ze zweeft boven de 910 bladzijden van deze roman, ze ziet de toekomst en de gedachten van alle personages, en zij is het die de zeven Jacobsboeken met elkaar verbindt.

“Hoe heeft ze ooit kunnen geloven dat de tijd verstrijkt, de tíjd verstríjkt?”, vraagt Jenta zich af. “Nu is het duidelijk dat de tijd wervelt, zoals een rok tijdens een dans.”
En ondertussen hebben de Joden van Podolië hun hoop op hun Messias gevestigd: ze dromen over hem, “dat hij uit het Westen komt en achter hem als de patronen in een tapijt velden en bossen, dorpen en steden zullen worden opgerold. Van de wereld blijft een rol over, een met niet geheel ontcijferbare kleine tekens beschreven spoel. In de nieuwe wereld zal een ander alfabet gelden, zullen andere tekens gelden, andere regels. Misschien wel van beneden naar boven, en niet van boven naar beneden. Misschien gaat het van ouderdom naar jeugd en niet andersom. Misschien zullen de mensen uit de aarde komen en uiteindelijk in de buiken van hun moeder verdwijnen.”
De komst van de Verlosser zal alles omkeren. En daarom begin je in deze roman op pagina 908 en lees je terug naar het begin.

Tokarczuk laat vele personages aan het woord: Nachman Samuel Ben Levi (na zijn doop: Piotr Jakubowski) die Jacob Frank op al zijn reizen vergezelt, de aanstellerige slotvoogdes Katarzyna Kossakowska-Potocka, de hoogeerwaarde deken Benedykt Chmielowski en andere kerkelijke figuren die geen idee hebben wat ze met de Messias en zijn volgelingen moeten aanvatten, Elżbieta Drużbacka die zich over de gedoopte Joden wil ontfermen, de Poolse prinses Gitla Pinkas die haar toevlucht zoekt tot Aszer Rubin. Zij duiken steeds weer op in duizelingwekkende vertellingen over Turkse steden en Griekse kloosters, boekverbrandingen en pogroms, commentaren uit de Zohar en alchemistische kunststukjes, kledingvoorschriften en pestepidemieën, liefde, seks, en adem.

Prachtige zinnen
“De lucht die Nachman inademt en meteen weer uit zijn longen laat stromen, is ongetwijfeld van een andere wereld: de ademtocht van Nachman groeit als deeg voor de challe, goudkleurig, en begint naar amandelen te geuren, verandert in de warme middagzon van kleur en draagt het aroma van een breed uitgestroomde rivier met zich mee, want het is de lucht uit Nikipol, een Walachijnse stad in een ver land …”

“Hij ziet ook de brandende boeken die zwellen van het vuur en openbarsten. Maar nog voor het vuur het wit van de pagina’s likt, vluchten de letters die op mieren of op andere kleine beweeglijke insecten lijken aan touwtjes van de bladzijden en verdwijnen in de duisternis.”

Met dit soort prachtige zinnen word je beloond als het je lukt om je door de soms onbegrijpelijke geschriften en gedachten van Jacob Frank heen te worstelen. En als het je lukt om heel, heel veel bladzijden te lezen die misschien niet allemaal heel, heel noodzakelijk zijn. Maar als je die moeite doet, zul je gaan houden van al die curieuze figuren die Tokarczuk tevoorschijn tovert in haar moedige roman, je zult worden meegenomen in de tijdmachine die ze voor ons heeft gebouwd, gevuld met de meest onwaarschijnlijke verhalen.

De geschiedenis in de toekomst
De Jacobsboeken omvatten de hele achttiende eeuw, maar de geschiedenis zet zich voort als de roman ten einde is. Een schattig klein meisje, de latere pianiste Maria Szymanowska, speelt spinet in het gloednieuwe stenen huis dat haar ouders hebben laten bouwen op de hoek van de Grzybowska- en de Walicówstraat – het centrum van het latere getto van Warschau. En de onsterfelijke Jenta? Zij wordt een kristal in de grot waar ze begraven is, de grot waarvan de kleine Jacob beweerde dat hij er geboren is, de grot waarin een groep Joden veel later zou onderduiken waardoor ze als door een wonder de Endlösung zouden overleven.

“Dus wat betekent dat? Is het waargebeurd of niet?”, laat Tokarczuk de pianiste Maria Szymanowska ergens zeggen.
“Ik zou van u als kunstenares willen vragen om niet te denken op een manier die simpele mensen eigen is”, krijgt ze als antwoord. “De literatuur is een bijzonder soort van kennis, dat is….” hij zocht naar de juiste woorden en plotseling viel hem een kant-en-klare frase in de mond – “ …de volmaaktheid van inaccurate vormen.”

Die volmaaktheid van inaccurate vormen is ook nog eens volmaakt vertaald door Karol Lesman. Want wie anders zou kunnen bedenken dat Jenta haar kleinkind eigenlijk geen Jacob, maar Trammelant (Kłopot) had willen noemen?