Een voetnoot bij de aantekeningen van JPFK

Het is alweer een tijdje geleden dat ik een mail kreeg van JPFK. Ik heb grote bewondering voor JPFK, hij weet veel meer over kunst dan ik ooit te weten zal komen en hij kan er ook nog eens heel mooi over vertellen. Had ik misschien belangstelling voor de boeken over Rembrandt die hij aan het opruimen was? Dat had ik. En zo ben ik ineens de trotse bezitter van een stapel Rembrandt-literatuur waaronder de Dikke Rembrandt van Bob Haak en Rembrandt en de regels van de kunst van Jan Emmens. Maar het allerblijst ben ik met Rembrandt schilderijen 630 afbeeldingen van Abraham Bredius uit 1935. (meer…)

Vervaagde grenzen

Op een donkere herfstavond stond hij voor de deur van mijn Warschause appartementje. Een boergondiër met het gebeeldhouwde gelaat van een Duitse componist. Zulke mooie mannen bestonden destijds in Polen niet. Iedereen kon in die jaren zomaar aanbellen – alleen de uitverkorenen beschikten over een telefoon. Hij stelde zich voor met een naam die ik eerst niet goed verstond, maar die ik later terugvond op zijn kaartje: Hans Glaubitz. (meer…)

Dood snipje

Hij ligt er zo stil bij dat het wel een winterlandschap lijkt: het dode snipje. Ook de kleuren zijn als van heuvels in de sneeuw – allerlei tinten wit en grijs, met hier en daar wat toetsen in roodbruin als echo van oud leven. Pootjes om mee te lopen, een vleugel om mee te vliegen, een snavel om mee in de lucht te prikken. (meer…)

Het verleden dat aan je vingers kleeft

Als een roman begint met twee jongetjes die muntjes op de treinrails leggen en een wedstrijd doen wiens zloties in de mooiste vormen onder de wielen van de trein vandaan zullen springen, dan kun je het al bijna raden. Die plek, die trein, die rails gaan een cruciale rol spelen in het leven van de vrienden. Maar op die warme zomerdag in 2002, ‘de dag waarop alles een einde nam’, heeft de zevenjarige Szymek daar nog geen idee van. Het is de dag waarop hij zijn ouders zal verliezen en in het huis van zijn oma, Tośka, aan een nieuw leven moet beginnen. Vanaf dat moment ontvouwt zich een sprookjesachtige roman, in een prachtige stijl geschreven en mooi vertaald, waarin we twee met elkaar verstrengelde levens volgen: dat van Szymek, die in het boek opgroeit tot volwassen man, en dat van Tośka, met wie we terugkeren naar haar verleden.

Lees mijn hele recensie van dit werkelijk prachtige boek voor Trouw Letter en Geest hier.

Gangsters in Warschau

Moisje Bernstein is in de zomer van 1937 zeventien jaar oud als de Warschause bokser en gangster Jakub Shapiro zijn ouderlijke woning binnenstormt, vader aan zijn lange baard naar buiten sleurt, hem in de kofferbak van zijn Buick gooit, en er met onbekende bestemming vandoor gaat. Op die dag laat Moisje zijn zeven baardharen afscheren en trekt zijn lange kleren uit. Weg met dat kwetsbare, magere Joodje uit de verpauperde Nalewkistraat, de arme zoon van een niemand. Hij, Moisje Bernstein, besluit te worden als Jakub Shapiro, die ‘lange, knappe Jood met de brede schouders en machtige rug van een Makkabese bokser’ die maar één droom heeft: de koning worden van de Warschause onderwereld.

Lees het vervolg van mijn recensie van dit bijzondere boek voor Trouw Letter en Geest hier.

Echo’s

Er bestaat vast een officiële term voor, voor die echo’s in de oude muziek. Ik hoorde ze onlangs weer eens in Arnhem, waar de Nederlandse Bachvereniging de Mariavespers van Monteverdi uitvoerde. Af en toe verdween er een zanger achter een deur in de coulissen, vanwaar hij dan onzichtbaar een stem nazong die een paar seconden eerder vanaf het podium had geklonken. (meer…)

Waarom Jacobus Vrel in de CODART Canon moet

Vijf jaar geleden zag ik dat kleine, adembenemende schilderij van Jacobus Vrel voor het eerst in het echt: Interieur met een vrouw die het haar van een meisje kamt. Ik schreef er een blog over, hoe een enkel schilderij je leven in een fractie van een seconde weer rond kan maken, en hoe me dat bij dit paneeltje overkwam. (meer…)

Herinneringen in november

Ineens lijkt alles deze dagen over herinnering te gaan. Vandaag bevond ik me in het gezelschap van zo’n tweehonderd oorlogsoverlevenden en hun nabestaanden die hun herinneringen al meer dan twintig jaar delen met schoolkinderen, samen gaven ze de laatste twee decennia zo’n twintigduizend gastlessen, ze deelden hun herinneringen met naar schatting een half miljoen leerlingen.

Maar wat betekent dat, herinnering? Moeten onze herinneringen één op één gelijk zijn aan de historische feiten? Of is het de taak van een museum, een historicus of een docent om de historische waarheid te vertellen en mogen wij dan onze eigen herinneringen creëren als die ons helpen ons verleden te verwerken? En hoe delen we die met de ander? En op welke manier vervormen onze herinneringen zich als we hetzelfde verhaal iedere keer weer vertellen, memoires lezen van anderen die dezelfde of vergelijkbare gebeurtenissen hebben meegemaakt, of films bekijken waarin we onszelf herkennen?

Dat waren de vragen van vandaag. Maar het waren ook de vragen van gisteren, toen ik me ineens in het sprookjesachtige papieren theater van Frits Grimmelikhuizen bevond. (meer…)

Ruïnes zijn overal om ons heen

‘Ruïnes zijn overal om ons heen, zolang je ze wilt zien, natuurlijk’, zo begint het bijzondere boek Caspar David Friedrichstraße van Cécile Wajsbrot. Ruïnes zijn overal om ons heen en ze zijn er vooral ook in het oeuvre van Caspar David Friedrich, de opperschilder uit de Duitse Romantiek. Wajsbrot schrijft haar boek als een toespraak waarmee een nieuwe straat in Berlijn wordt geopend, de Caspar David Friedrichstraße, een gloednieuwe straat waar nog nooit iets is gebeurd. Maar wat betekent de aanleg van een nieuwe straat voor de omgang met het verleden? (meer…)